Preek op de tweede zondag door het jaar A,
A98ADV02.html, Zat/zon 5/6 december 1998.
In de parochiekerk van de H. Bartholomeus te
Poeldijk. Pastoor M.P.J. Hagen. A.M.D.G.
Sinterklaasweekend / Sinterklaas-preek.
Zaterdag: Volkszang met cantor
Zondag: Herenkoor Deo Sacrum: Latijn
Zo: E.L: Jes. 11, 1-10
Za/Zo EV: Mt. 3, 1-12
Homilie
Open je oren, open je oren!
Wat is er Sint, wat moet ik horen?
Wat ben jij doof, o Piet, o Piet,
hoor jij die Adventzangen niet?
Ach Sint met zoveel feestplezier,
cadeaux in Sinterklaaspapier,
met Hollandse gezelligheid,
heb ik voor luisteren geen
tijd.
En daarom zeg ik, Zwartepiet,
je hoort wel, maar je luistert niet.
Ga nu eens zitten, kom tot rust,
altijd maar hollen is geen must.
Ontspan je, wees wat meer relaxed,
bezin je eens op deze tekst:
ãEen stem die roept in de woestijn ...ä;
God Zelf wil bij de mensen zijn.
Hoor je dat nu? Ja? Dringt het door
en komt het echt in jouw gehoor?
Of is het steeds die eeuwâge pech,
zijn jouw gedachten alweer weg.
Ik kijk hier in het grote boek,
maar ook op Internet, ik zoek
van Îs morgens vroeg tot Îs avonds laat
voor jouw gehoor een apparaat.
Maar, ach, ik weet het al heel lang,
al kwam ik hier met engâlenzang,
jij bent vooral Oostindisch doof,
je hoort pas als ik wat beloof.
Wat zei U Sint, belooft
u wat,
ik heb al heel lang niets
gehad,
ik heb wel zin in suikergoed
of marsepein of ander zoet.
Nee Piet, ik heb het over deze tijd,
denk jij nooit aan de eeuwigheid,
denk jij niet over slecht en goed,
denk jij alleen aan honingzoet?
Ach Sint, ik hoor wel wat
u zegt,
heus, deze Piet is niet
zo slecht,
maar woorden maken mij
zo moe,
dan doe ik maar een oogje
toe.
Als u gaat preken, haak
ik af,
zoân lang mis, dat is een
straf.
Kan het misschien wat korter
zijn,
een hal(lu)f uurtje lijkt
mij fijn.
Ik snap het Piet, maar jammer nou,
een misje gaat niet effen gauw,
hier ben je bij God op bezoek,
hier lees je uit een Ander Boek.
Dus, oren open, voor zijn Woord,
tot iedereen het heeft gehoord,
tot Jan en Alleman begrijpt,
dat in dit Huis, het Leven rijpt.
Ach Sint, Ach Sint, het
gaat te vlug,
ik zit nog bij een zin
terug,
dat Jan en Alleman begrijpt
dat in dit huis het leven
rijpt.
Zoân zin gaat mij boven
de pet,
zoân hoog idee, dat is
het net,
ik denk aan morgen en aan
thuis,
straks komen wij weer op
de buis.
Het is al goed, maar, weet dit wel,
het leven gaat echt reuzensnel,
voor je het weet is daar de dag
dat jij naar Ît echte Godshuis mag.
Daarom is het heel goed dat jij,
al ben je droef, al ben je blij,
je oren open houdt voor God,
want Hij heeft oor voor ieders lot.
Toch, Piet, bedoel je het niet kwaad,
je luistert hooguit soms wat laat,
zeg daarom over heel de rest:
ãAch, Lieve Heer, ik doe mijn bestä.