Preek op de dertigste zondag door het jaar A, weekeinde van 22 en 23 oktober 2011.

Echte naastenliefde heeft haar bron in God. Daarom is naastenliefde onlosmakelijk verbonden met liefde voor God. Wij mogen ruim zijn in onze liefde en er vol op vertrouwen dat Hij onze inzet in de juiste proporties houdt.
A2011DHJ30A

Eucharistieviering op de dertigste zondag door het jaar A, weekeinde 22 en 23 oktober 2011, om 19.00 uur, om 9.30 en om 11.00 uur in de parochiekerken van de Heilige Willibrord, de Heilige Jozef en De Goede Herder te Wassenaar. A.M.D.G. - I.H.S.

Van harte welkom, u hier in de kerk en allen die met ons meevieren via het internet.
Hoever moet je gaan in je inzet voor God, voor de Kerk, voor je buren, voor de derde wereld. Moet je niet voor jezelf kiezen? We gaan te rade bij Jezus, onze leermeester.
Ik mag u uitnodigen te gaan staan bij de intrede.



Lezingen

E.L.: Exodus 22,20-26
Ps.: 18 (17), 2-3a, 3bc-4, 47 en 51ab
T.L.: 1 Tessalonicenzen 1,5c-10
VE.: Joh. 14, 23
Ev.: Matteüs 22,34-40

Homilie

Jezus had een politicus kunnen zijn, daar lijkt het tenminste op. Politici geven zelden antwoord op de vragen die gesteld worden, met name op die van journalisten. Meestal vertellen zij het verhaal dat ze zelf willen afsteken. Politici zoeken ook altijd de nuance. Alhoewel, met de oneliners van tegenwoordig lijkt de nuance soms wel ver te zoeken.

Jezus is geen politicus. Toch merk je dat Jezus niet altijd rechtstreeks antwoord geeft op de vragen die gesteld worden. Jezus is iemand van de overtreffende trap. Hij geeft meer dan je vraagt, Hij geeft het antwoord dat je nodig hebt. Dat is lang niet altijd hetzelfde als dat wat je vraagt, dikwijls weten we niet echt wat goed voor ons is.

Vandaag horen we een vraag over het voornaamste gebod. Dit antwoord van Jezus is ook wel bekend als het dubbelgebod: Bemin God en je naaste.

Ik kan me herinneren dat ik jaren geleden, nog vóór mijn priesterstudie, in gesprek was met een vrouw die heel actief was in de kerk en op het sociale vlak. Zij vond God liefhebben eigenlijk niet zo belangrijk. “Als je maar goed bent voor je naaste”, was haar stelling. Tijd om naar de kerk te gaan had ze niet, en ze vond bovendien dat er erg veel mis was in de Kerk. Een andere keer sprak ik een man die heel trouw naar de kerk ging. Hij vond dat alles moest beginnen met gebed. Tijd voor vrijwilligerswerk had hij niet en hij had ook zijn mening klaar over veel mensen en over de wereld waarin we leven.

U kent het dilemma vast wel. Hoeveel goed moet je doen? Wat is redelijk? Wat is nodig? Wat mag een ander van je verwachten? Hoe vaak moet je bidden? Wat is redelijk? Wat mag God van je verwachten?

Dikwijls zie je dat mensen aan de ene of de andere kant gaan hangen: Aan de kant van de mensen of aan de kant van God. In de tijd van Jezus was dit niet anders. Farizeeën hadden hun hoop op God gesteld, maar omdat God niet rechtstreeks te benaderen is, waren ze blij met de Wet van Mozes. Die was voor hen het vaste baken in hun leven. Hou je aan die Wet door God gegeven, dan heb je een licht op je pad, dan zal je Gods zegen verwerven. Tegelijk  begrijpt iedere Farizeeër, dat de opdracht voor liefde tot de naaste erbij hoort.

Er bestaat bij veel mensen de neiging om te kiezen, dit of dat, niet allebei. Dan zal de een zeggen: “God komt op de eerste plaats”. En een ander zegt: “Als je maar goed bent voor je naaste”.
Het lijkt een beetje op die vraag van de farizeeën over belasting betalen. Dan vraagt Jezus hen: “Van wie is de afbeelding op de munt?” Die is van de keizer. Dan luidt het antwoord van Jezus: “Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt”. Niet dit of dat, maar allebei. Jezus zelf is hierin het grote voorbeeld voor ons. Hij is trouw aan de Wet, trouw aan de geboden. God komt bij Hem altijd op de eerste plaats. En tegelijk is hij er voor mensen die hem nodig hebben, vooral de zieken. Heel zijn leven staat in het teken van dienstbaarheid. Dienst aan God en aan de naaste. Die twee zitten bij Hem aan elkaar vast. Voor Jezus is er geen tegenstelling tussen deze twee. Je kunt God niet beminnen en je naaste laten barsten. Wie geen oog heeft voor zijn naaste, die heeft ook God niet lief, die heeft alleen zichzelf lief. Mattheüs 25 (“M. 25”) is daar duidelijk in, maar ook de parabel van de barmhartige Samaritaan.

Andersom is het lastiger. Als je echt je naaste bemint, moet je dan ook God nog beminnen. Voor Jezus staat dit vast. Ja, alles begint bij God. Voor Jezus is pas echt je naaste beminnen als jouw liefde haar bron heeft in God.

Soms lijkt dat in de wereld om ons heen ook zichtbaar te worden. De sociale instellingen van de overheid worden zakelijker. De gezondheidszorg wordt commerciëler. Het zijn vooral individuele mensen die een menselijk gezicht aan deze organisaties geven, vanuit een goed en vaak ook gelovig hart. Als God uit deze organisaties weg is, verdwijnt de bron van barmhartigheid, de bron van mededogen, de bron van geduld en begrip. Een overkoepelend idee en een overkoepelende houding gaat dan steeds meer ontbreken.

Op zich zal wel dit duidelijk zijn. Bij Jezus kun je God en de naaste niet tegen elkaar uitspelen. Maar hebben we daarmee een antwoord op ons dilemma? Hoeveel voor de een en hoeveel voor de ander? Mag ik ook een keer ‘nee’ zeggen? Daarvoor hebben we aan Jezus niet het beste voorbeeld. Het lijkt erop dat Jezus op dat punt grenzeloos is. Dat horen we ook bij de vraag over vergeving: “Zeven keer per dag?” “Nee”, zegt Jezus: “Zeventig maal zeven keer”. Er komt geen einde aan. We zien het aan zijn kruisdood, mateloze liefde.

Maar hoe dan? Ik hoor vrijwilligers wel eens zuchten: “Ik heb deze week al twee volle dagen aan de kerk besteed, wordt dat niet te gek ?” Of: “Ik ben drie dagen in de week voor mijn buren bezig, gekker moet het niet worden.” Natuurlijk moet je gewone wijsheid in acht nemen, natuurlijk is er een grens aan onze mogelijkheden. Ook Jezus nam zijn leerlingen mee naar een eenzame plaats om tot rust te komen. Tegelijk zien we dat Jezus feitelijk geen grenzen stelt aan zijn liefde, aan zijn goedheid en zijn dienstbaarheid. Hij vertrouwt erop dat de Vader Hem hierin zal leiden.

Met andere woorden: Gods voorzienigheid is het antwoord. Wij mogen ruim zijn in onze inzet en onze liefde, vol vertrouwen dat Hij onze grote inzet in juiste banen leidt en ook in de juiste proporties houdt. Gods Voorzienigheid is het antwoord. Amen.



Voorbeden
Priester: Wij bidden tot God die de bron is van goedheid, geloof en dienstbaarheid.

Bidden wij voor de kerk. Vragen we dat alle gedoopten werkelijk zichzelf geven in een liefdevolle dienstbaarheid - binnen de Kerk en daarbuiten - in geloof en in de praktijk van alledag. Laat ons bidden.

Bidden wij voor wereldleiders, dat zij zich niet laten leiden door angst, maar dat zij wijsheid zoeken, dat zij geen korte termijn voordeel nastreven, maar het goede voor de toekomst voor ogen houden, dat zij de kwetsbare mensen niet de dupe laten worden. Laat ons bidden.

Bidden wij voor allen die werken in dienstverlenende beroepen. Dat zij vanuit een gelovige spiritualiteit inhoud weten te geven aan hun werk. Dat God de bron mag zijn van hun liefde en inzet. Laat ons bidden.

Bidden wij voor onze parochies, voor ons cluster, voor onze vrijwilligers en voor onze gezinnen, vragen we om die levenshouding en mentaliteit waardoor we geen grenzen stelt aan onze liefde.
Bidden wij om geloof en vertrouwen dat God ons hierin leiding geeft met zijn Voorzienigheid. Laat ons bidden.
Intenties.

Aanvullende gegevens