Loon

Toen ik zestien werd, vertrok ik van het kleinseminarie van de Salesianen in 's-Heerenberg en ging ik werken in de kachelsmederij bij mijn vader. Dat betekende kolen- en oliekachels repareren, schoorsteenvegen en het aan huis brengen van kolen (op zolder) en petroleum voor de olietank. Voor het eerst ontving ik toen “loon”. Meteen gold daarbij de afspraak dat ik van dat loon een deel aan mijn moeder zou geven. Het loon kreeg zo meteen een breder doel.

Dit loon maakte mij blij. Ik had het verdiend en ik kocht voor het eerst zelf een (corduroy) broek. Toen ik achttien werd, betaalde ik er mijn motor- en autorijles van. Het loon gaf me een gevoel van zelfstandigheid, een nieuwe manier van in de wereld staan. Later ging ik werken bij een centrale verwarmingsbedrijf, daar heette het geen loon meer maar salaris. Ik kreeg het ook niet langer contant, want het werd overgemaakt op de giro. Eenmaal priester gewijd, verdwenen loon en salaris. Ik kreeg voortaan een honorarium, want een priester wordt door de bisschop gezonden en is niet in dienst van een parochie.

“Loon naar werken” is een oud Nederlands gezegde en inmiddels ook een mensenrecht (Artikel 23 Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens). Ik vermoed dat de oorsprong ligt in de Bijbel. In het Oude Testament roept God op de arbeider zijn loon niet te onthouden (Leviticus 19,13). Dat geldt ook voor priesters; zij hebben recht op een deel van de offergave, want daarvan moeten ze leven (Leviticus 7,31). Jezus neemt deze traditie op en zet het voort in zijn Kerk als Hij zegt: “De arbeider is zijn loon waard” (Lucas 10.7, zie ook 1 Timoteüs 5,18). Wie werkt voor Christus en zijn Evangelie zal daarvoor een billijk loon ontvangen.

Daarnaast spreekt Jezus ook over “loon” voor iedere mens in relatie met God. “Beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen om de aandacht te trekken; anders hebt gij geen recht op loon bij uw Vader die in de hemel is” (Matteüs 6,1). Dat “loon” overtreft alle aardse gerechtigheid, zoals we zien bij de werkers in de wijngaard: “Neem wat u toekomt en ga heen. Ik wil aan degene die het laatst gekomen is evenveel geven als aan u” (Matteüs 20,14). God is gul, je hoeft je dus geen zorgen te maken over de hemelse beloning, het eeuwig leven door en met en in God. Een woord van de profeet Micha is me hierin dierbaar: “De HEER heeft u gezegd wat goed is, mens, en wat Hij van u verlangt: Hij wil niets anders dan dat gij u houdt aan het recht, dat gij de trouw eerbiedigt, en u tegenover uw God ootmoedig gedraagt” (Micha 6,8).

Uiteindelijk is Gods genade veel meer dan “loon”. In het Onze Vader leert Jezus ons bidden om ons brood voor iedere dag. We vragen daarmee ook om het Eucharistisch Brood, om Gods liefde, Barmhartigheid, Genade en Voorzienigheid. Zonder dat houden we het niet vol. Daarom houd ik als lijfspreuk dit woord van Jezus (Matteüs 6,33-34): “Zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden. Maakt u dus niet bezorgd voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed”.

Pastoor Michel Hagen
Katholiek Nieuwsblad 8 september 2017/36, #18.

Aanvullende gegevens